woensdag 10 februari 2010

'Brits'


illustratie: Louis Radstaak©

De waard leunde op de tapkast en sloeg de Tubantia open. Zijn aandacht ging naar het bericht: Britse hindoe mag op brandstapel. Nieuwsgierig las hij verder: Een Britse hindoe mag na zijn dood worden gecremeerd op een brandstapel. De lokale autoriteiten in Newcastle hadden zijn verzoek afgewezen, maar het hof van beroep gaf hem alsnog toestemming. De man van 71 wil worden gecremeerd op een openluchtbrandstapel in het noorden van Engeland. Van de gemeenteraad kreeg hij nul op het rekest wegens een verbod op het verbranden van menselijke resten buiten een crematorium. De rechters wezen het verzoek toe omdat de man heeft beloofd de brandstapel af te schermen met een dakconstructie. De man zegt dat zo'n crematie essentieel is voor het bevrijden van zijn geest.
De waard liet dit bericht tot zich doordringen, staarde naar buiten en dacht aan een foto die hij maakte in Groot Brittanië, ergens in de jaren '70.
Het was in een van die warme zomers waarin het hele eiland in korte broek liep, ook de keurig geklede magere man voor zijn lens. Waarschijnlijk een boekhouder op weg naar het kantoor. Een heel normaal uitziende man, alleen waren zijn broekspijpen ingekort tot ver boven zijn knokige knieën. Zijn voeten stonden in grijze sokken op gaatjesschoenen die de pas erin hadden, hij was mogelijk aan de late kant.
Was het die man misschien? Hij zou de dia eens gaan opzoeken in zijn archief.
De caféhouder wist weinig van Hindoe's, bevrijding van de geest door die het vuur aan de schenen te leggen leek hem wat overdreven. En hoe kon de geest dan weg in die dakconstructie? Hij probeerde zich de toestand voor te stellen, ergens in de heuvels rond Newcastle. Stel dat het die man was, dan lag hij daar in zijn nette pak met korte broek. De brandweer staat paraat als de brandstapel wordt aangestoken, de vlammen bereiken het stoffelijk overschot dat tenslotte de geest geeft. Sommigen menen het ca. 2 gram zware fenomeen te zien opstijgen. Na enige tijd ligt er een hoop as met knoken en geeft de commandant het sein 'Brand meester'. Het korps rukt in en de toeschouwers blijven bedremmeld achter. Ergens klinkt muziek, hij hoort een doedelzak en krijgt koude rillingen...
De uitbater schrikt op uit zijn gemijmer en merkt dat de jukebox is gaan spelen, zomaar uit zichzelf. Hij moet denken aan een regel uit een gedicht van Ida Gerhardt: "...suf hokt de ziel in een verdord karkas." Het is weer gaan sneeuwen, het is zo'n eindeloze winter die van geen wijken weet. Hij maakt voor zichzelf een Pernod met ijs klaar, ijs moet met brandende anijs bestreden worden is zijn filosofie.